Bestraling (radiotherapie)

Radiotherapie is de behandeling van kanker door middel van straling. Het doel is de kankercellen te doden, terwijl de gezonde cellen zoveel mogelijk gespaard blijven. Er zijn verschillende soorten straling. Voor uitwendige bestraling wordt bijna altijd gebruikgemaakt van 'harde' röntgenstraling. Dit is elektrisch opgewekte straling die veel sterker is dan de straling die gebruikt wordt voor het maken van röntgenfoto's.  

 

Elektronenbestraling is een ander soort straling die wordt toegepast. Deze soort straling heeft een minder groot doordringend vermogen dan 'harde' röntgenstraling. Ook gebruikt men straling uit een radioactieve bron, meestal gammabestraling. Al deze soorten straling zijn onzichtbaar, niet te ruiken en niet te voelen.

Uitwendige en inwendige bestraling

Radiotherapie kan als uitwendige bestraling en als inwendige bestraling worden toegepast. Uitwendige bestraling vindt het meest plaats. Soms krijgt een patiënt een combinatie van uitwendige en inwendige bestraling. Bij uitwendige bestraling komt de straling (de 'harde' röntgenstraling of elektronenstraling) uit een toestel en dringt van buitenaf door tot de kankercellen. De bestraling duurt per keer zeer kort. Na de bestraling blijft geen straling in het lichaam achter. Patiënten worden dus niet radioactief. Er komt ook geen straling in bijvoorbeeld zweet, urine, ontlasting of sperma.  

 

Bij inwendige bestraling, ook wel brachytherapie genoemd, brengt men radioactief materiaal in of bij de tumor aan. Deze behandeling kan poliklinisch of in dagbehandeling plaatsvinden. De totale duur kan variëren van enkele uren tot enkele dagen. In verband met de straling zijn speciale veiligheidsmaatregelen nodig. Nadat het radioactieve materiaal uit de patiënt is verwijderd, is er geen straling meer in het lichaam. Soms blijft het radioactieve material wel in het lichaam, zoals bij behandelingen voor schildklierkanker en prostaatkanker. De radioactiviteit vermindert dan snel.  

Hoe werkt radiotherapie?

Bij radiotherapie wordt gebruikgemaakt van straling. Kankercellen zijn gevoelig voor bestraling. De straling beschadigt het erfelijk materiaal (DNA). De kankercel verliest daardoor het vermogen om te delen en gaat dood. In het algemeen kunnen kankercellen minder goed herstellen van bestraling dan gezonde cellen.  

 

De gevolgen van de straling zijn bij gezonde, sneldelende cellen die in het bestraalde gebied liggen, al tijdens of kort na de behandeling merkbaar (acute effecten). Dit betreft vooral de haren, de slijmvliezen en het beenmerg. Straling werkt ook op langzaamdelend weefsel (bijvoorbeeld zenuwweefsel) dat in het bestralingsgebied ligt. Die gevolgen kunnen soms pas na vele maanden of zelfs jaren optreden (late effecten).  

 

Patiënten die een stamceltransplantatie krijgen, ondergaan eventueel een totale lichaamsbestraling. Radiotherapie is verder bijna altijd een plaatselijke behandeling en heeft daarom alleen effect in het gebied dat door de stralen(bundels) wordt getroffen. Ondanks dit plaatselijke effect kan bestraling wel leiden tot algemene verschijnselen zoals vermoeidheid.  

Wanneer wordt radiotherapie toegepast?

Radiotherapie kan worden toegepast:  

  1. Als curatieve (= gericht op genezing) behandeling. Sommige soorten kanker kunnen curatief behandeld worden door bestraling alleen.
    Er is dan geen operatie of chemotherapie nodig: bijvoorbeeld bij een kleine tumor aan de stembanden. Voorwaarde voor de behandeling met alleen radiotherapie is dat er geen uitzaaiingen buiten het te bestralen gebied zijn. Radiotherapie is immers een plaatselijke behandeling.
    Soms wordt een curatieve behandeling gegeven in combinatie met een operatie. Ook combinaties met chemotherapie komen steeds vaker voor. Onder meer bij baarmoeder(hals)kanker, longkanker en hoofd-halstumoren.
  2. Als adjuvante (= toegevoegde) behandeling, vóór of na een andere behandeling. Ook dan is de behandeling gericht op genezing.
    Adjuvante radiotherapie kan plaatsvinden na een operatie om eventueel achtergebleven kankercellen te vernietigen. Adjuvante radiotherapie kan ook vóór een operatie worden toegepast om de tumor kleiner te maken, zodat deze gemakkelijker kan worden verwijderd.
  3. Als palliatieve (= verzachtende) behandeling. Als de ziekte niet (meer) curatief kan worden behandeld, is meestal een palliatieve behandeling mogelijk. Deze behandeling is gericht op het remmen van de ziekte en/of vermindering van de klachten. Radiotherapie kan worden toegepast bij pijn, een bloeding, belemmering van een doorgang (zoals in de slokdarm) en bij andere verschijnselen die ontstaan door druk van een tumor op zenuwbanen of nabijgelegen organen. Vaak gaat het dan om een kortdurende behandeling waardoor het dagelijks leven van de patiënt wordt verbeterd. Deze verbetering kan langdurig aanhouden.

Uw specialist (radiotherapeut-oncoloog) zal u uitleggen met welke bedoeling hij een behandeling met radiotherapie aan u voorstelt.

Verschillende bestralingstechnieken

Bekijk hieronder de video over bestralingstechnieken.

 

Laatst bewerkt: 3 september 2009Bron: KWF Kankerbestrijding


Voor de disclaimer, zie: http://www.kankerwiehelpt.nl/disclaimer-8.html