Behandeling met monoklonale antilichamen
Toediening van monoklonale antilichamen is een vrij nieuwe behandeling van borstkanker. De behandeling wordt meestal gegeven in combinatie met chemotherapie en soms ook met hormonale therapie.
Ongeveer 15 tot 25% van de vrouwen met borstkanker heeft een overmaat van bepaalde eiwitten op de tumorcellen. Die eiwitten (HER2) zorgen ervoor dat de tumorcellen te veel groeiprikkels in de cel doorlaten. Bepaalde monoklonale antilichamen kunnen die eiwitten blokkeren. De kankercellen kunnen daardoor deels afsterven of zich minder goed herstellen nadat ze beschadigd zijn door chemotherapie en/of hormonale therapie. Hierdoor kan de ziekte beter behandeld worden.
Om te weten of een vrouw voor zo'n behandeling met antilichamen in aanmerking komt, moet eerst worden onderzocht of de tumor een overmaat aan HER2-eiwit heeft. De toediening van monoklonale antilichamen vindt plaats per infuus.
Bij vrouwen met uitzaaiingen kan de behandeling weken tot jaren duren. Bij hen worden de antilichamen aanvankelijk eens per week tot eens per drie weken toegediend. Vrouwen zonder uitzaaiingen, die adjuvant behandeld worden met monoklonale antilichamen, krijgen de therapie een jaar lang eens per drie weken toegediend.
Een behandeling met monoklonale antilichamen kan geadviseerd worden als adjuvante en palliatieve behandeling.
Bijwerkingen
Vooral na toediening van de eerste dosis monoklonale antilichamen kunnen soms bijwerkingen ontstaan zoals koorts, spierpijn, misselijkheid en allergische reacties (onder meer koude rillingen en kortademigheid). Na de eerste dosis verdragen vrouwen de behandeling meestal goed en treden er nauwelijks meer bijwerkingen op.
De therapie kan de hartpompfunctie doen verminderen. Daarom zal uit voorzorg de hartspierfunctie af en toeworden gecontroleerd, zeker als de therapie gegeven wordt in combinatie met chemotherapie. De bijwerkingen zijn ook afhankelijk van de combinatie met andere medicijnen.
Laatst bewerkt: 22 augustus 2008Bron: KWF Kankerbestrijding
